Posts tonen met het label kleine woordenschatten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kleine woordenschatten. Alle posts tonen

vrijdag 25 november 2011

Hunkerbunker

“Als apen de keuze hebben tussen iemand die hun wél te eten geeft, en iemand aan wie ze zich kunnen vastklampen maar die hun voedsel onthoudt, kiezen ze voor honger. Liever verhongeren dan niet aangeraakt worden.”

Ze zegt het met een flinke hap spaghetti vol in de mond.

“De hechtingstheorie van John Bowlby. Een oldie. Jaren veertig, vijftig. Ken je die?”

Een gretige weet-date. Dat is ze. Hij schudt het hoofd ontkennend. Vraagt glimlachend: “Heb je nog honger?”

“Altijd”, schertst ze terug. “Heb je nog wat?”

“En wist je dat volgens Madonna, je weet wel, die oldie uit de jaren tachtig, de ultiemste vorm van seks elkaars tenen likken is?”

Hij doet alsof hij oprecht geschokt en verbaasd is. Pretlichtjes in zijn ogen verraden het tegendeel.

“En dat daar een wetenschappelijk bewijs voor is? Hou je vast. Nu wordt het moeilijk.”

Ze neemt nog een hap spaghetti, als om kracht op te doen. En likt voorzichtig het restje tomatensaus in haar mondhoek weg.

“In onze somatosensorische cortex, in het voorste gedeelte van onze hersenkwab, waar tast-, pijn-, temperatuur- en andere prikkels worden verwerkt, liggen de genitaliën en de tenen gewoon naast elkaar.”

Ze schaterlacht. Met een energie die aanstekelijk werkt. Hij lacht hardop mee. Geniet van de perifere prikkels die via zijn ruggenmerg en schakelgebieden in de thalamus zijn somatosensibele schors bereiken. Het is ontleend genot. Hij ziet haar graag genieten. Vult haar glas bij. Vol en rood.

“Ontvoer je me uit m’n hunkerbunker?” Ze zegt het stil deze keer. Hun ogen raken elkaar zacht. “Als ik je verhalen vertel, streel jij dan mijn zinnen?”

Hij streelt haar hand. Ze maakt hem wild. Gek. Krank van zinnen.

Een lang, warm verhaal kan beginnen.

zondag 11 september 2011

Raw like sushi

Op het nachttafeltje stond een oude telefoon met een draaischijf. Goudgeel koper en kitsch.

Jolene zat op de rand van het bed en streelde afwezig het beddengoed van karmijnrood fluweel.

Twee plafondventilatoren draaiden monotoon de tropische, zwoele warmte de kamer rond.

“Ik moet even een dringende telefoon doen”, had hij gezegd. Hij was het vervolg schuldig gebleven. Maar het was voorspelbaar.

Even had hij schuin naar het kitscherige koper gekeken, alsof hij meteen daar, nu, zonder verwijl de hoorn had willen opnemen. Maar hij had zich bedacht.

“Ik moet het maar beter hier niet doen, ga even naar m’n kamer. Ben zo terug.”

Ze nam een warme douche, dronk een kop thee, las losse letters die ze meteen weer vergat, keek om de haverklap op de display van haar mobiel om de tijd te controleren.

Het was intussen lang na middernacht. Slaap, verlangen en ongeduld hadden zich van haar meester gemaakt. Spreidstand was het. Hij in de ene kamer. Een lief luisterend oor voor de ander. Nadien in de andere kamer. Met het hoofd in haar schoot. Diep verdrietig werd ze ervan. Leeg.

Een zachte klop op de kamerdeur.

Zonder woorden kwam hij binnen. Schoof de twee bedden naast elkaar. Begroef zich onder de lakens en in haar armen.

“Een sterfgeval. Ruzie in de familie. Ik heb met haar te doen.”

Haar had hij nooit midden in de nacht gebeld wanneer ze het kwaad had.

“Zeg je alsjeblieft niets meer?” vroeg ze zacht.

Hij huilde. Onzichtbaar. Maar voelbaar.

Ze streelde zijn voorhoofd.

“Ik hou van je”, fluisterde ze.

In de verte brak een tropisch onweer los. De regen klaterde onafgebroken. Felblauw bliksemlicht verlichtte het karmijnrood.

“Zeg dat niet", was het antwoord. "Ik breek."

Ze nam zijn hand in de hare, draaide zich voorzichtig op het andere bed, en viel in een slaap die er geen was.

Onhoorbaar was de nachtschade.

Bij het eerste daglicht stond ze op. Nam een douche.

Toen ze terugkwam in de kamer waren de bedden uit elkaar geschoven. En hij verdwenen. De regen nog steeds onafgebroken.

Op het hoofdkussen lag een post-it note.

“Ik wil je niet verliezen", las ze.

Ze nam de hoorn op van de telefoon. Kreeg de kiestoon. Draaide langzaam drie cijfers en liet zeven keer overgaan.

Onbereikbaar. Geen nieuws.

Als altijd.

Ze opende een paraplu, waadde door diepe plassen, liep verloren in de leegte van een stad die de hare niet was.

Kiezen is verliezen. Niet kiezen nog meer.

En ze brak.

Met een tijd die oneindig had geleken.

woensdag 25 mei 2011

Lemme tell u a fairytale?

“Transformeren badeendjes ook tot prinsen als je ze kust? Of geldt dat enkel voor kikkers?”

Indra lag treurig, meewarig in het badwater. Het hoofd achterover tegen de witte rand. Mobiel losjes in de hand. Dominique Strauss-Kahn was ten prooi gevallen aan een ontspoord libido, Xavier Tondo verpletterd door een garagepoort en de liefde van haar leven even afwezig als onzichtbaar.

Het badwater weggooien was een optie. Maar, bedacht ze, dat zou de vaarkrachtigheid van Daffy sterk benadelen. Dus bleef ze hard-nekkig liggen, wachtend tot ie zachtjes haar richting uitkwam.

“Ik zag net een morsdode kalkoen aan de rand van de snelweg, ter hoogte van kilometerpaal 69. Zou dat een slecht voorteken zijn?” klonk het gekscherend aan de andere kant van de lijn. “En m’n poes donderde krols van het terras.”

“Nee toch. Was er een vogel voor de kat?”, schaterde, klaterde het terug.

“Zullen we het ultieme dierenrijk voor dames oprichten?” klonk het uitdagend. “Een zalige zoen-zoo? Met eenden, kikkers, kalkoenen. Wat kleinvee, wat grootvee. Allemaal even lekker en gedwee?

“Doen we, meid. Dat klinkt als een waan-zinnig idee."

En de meewarigheid, die mocht lekker niet mee.
.

zondag 12 december 2010

Precious

“I’m a very cheap date, you know.” Ze zei het zonder verpinken, met licht Franse tongval, terwijl ze schijnbaar achteloos met haar linkerhand zijn achterwerk beet nam.

Etiquette is een overschat goed. Dat had ze helemaal begrepen.

Minstens zo achteloos als de greep van haar hand keek hij haar recht en diep in de ogen.

Ze glimlachte. Even mysterieus als ongenaakbaar

“Wat wil je van me?” Hij vroeg het zacht, haast onverstaanbaar.

“Ik zie je graag”

Hij omhelsde haar lang en innig.

Ze was hem oneindig dierbaar.

dinsdag 30 november 2010

What 'll I do?

“Only mediocrity is safe, zegt Paulo Coelho.” Ze fluisterde het zacht tegen de stugge stoppels van zijn ongeschoren wang.

Hij gromde halfslaperig terug: “Was sich liebt, das neckt sich”. Ook hij was gretig in vreemdspraak tussen de lakens.

“Ben jij dan nooit jaloers?” Ze vroeg het stil, peinzend, vleide haar wang traag tegen zijn bovenarm.

Hij lag dicht tegen haar aan, zijn borst tegen haar rug, het rechterbeen over het hare, zijn arm over haar heen, haar net iets te stevig omklemmend.

Ze hield van zijn houdgreep. Beschermend en bezitterig, met weinig speelruimte.

Hij gromde nogmaals. “Als je iets liefhebt, laat het dan vrij. Komt het terug dan is het van jou.” “Een oud spreekwoord”, mompelde hij er achteraan.

Daar had ze niet van terug.

Ze duwde haar achterwerk uitdagend tegen de hardheid van zijn bestaan, gooide haar hoofd een kwartslag achterom en vroeg met geveinsde, vleiende onderdanigheid: “Geachte Heer Van Dale, mag ik los? Laat u me liefdevol gaan?”

Hij omklemde haar bovenarmen, zoende speels haar voorhoofd. Bleef onvermurwbaar.

“Or you think I’m a tossy you can wind up?” Ze zei het gespeeld kwaad.

“Lust is acuut, My Lady. Liefde is chronisch.”

Ze streelde zijn voelbaar verlangen met de zachte binnenzijde van haar dijen. “Dat klinkt als een bedreiging?” Ze zei het speels autoriteir. “Geacht Heerschap, ik revolteer node tegen uw duurzaamheidsdwang."

Ze wrikte zich los uit zijn houdgreep, nam de bovenhand. Op haar beurt ontegenzeglijk dominant.

Zijn ogen raakten de hare. Hij raakte haar. Onuitgesproken.

“Je bent veilig bij me. Ik doe je geen kwaad”.

Ze streelde zijn slapen.

“Houd je me stevig vast? Het is zo verdomd onduidelijk soms, alsmaar op de tast.”



Geïnspireerd door "Bitterzoet" van Annelies Van Belle, een retro-song van Johnny Mathis (What'll I do?), en Van Dale Woordenboek.

zondag 14 november 2010

Kantelbaar



“We hoeven ons toch niet aan een bepaald script te houden?” klonk het.

Ze zat stilzwijgend naast hem, genoot van het zachte, warme timbre van zijn stem, voelde ingetogen, opgetogen de nabijheid van zijn harde, gespierde bovenbenen.

“Waarom inperken, begrenzen, analyseren, categoriseren, definiëren?” Hij streelde traag de rug van haar hand.

Ze dacht aan het vooruitzicht van vrijheid, vermengd met lichte angst voor verlies van controle.

“Het kan op de rand”, ging hij verder. “Lekker met kant.”

“Of je maakt me vrijblijvend, meedogenloos van kant.”

Ze hield van zijn zelfspot, het had iets speels, uitdagends, avontuurlijks.

“We nemen het zoals het komt”, ging hij door.

“Neem jij me zoals ik kom?” vroeg ze vertwijfeld, en keek schichtig, vragend langs hem heen.

“Jij komt als geen ander”, grinnikte hij speels, en kneep slinks in haar dij.

“Maar ik neem je zoals je komt, ook wanneer je gaat”, vervolgde hij met een vleug van weemoed.

Ze zoende hem zacht in de nek. Haar weerstand was zinloos.

“Sta je aan m’n kant?” fluisterde ze.

Hij gaf een zoen op haar mond.

Ze zweeg.

Voortaan leek niets meer kant en klaar. Of zonneklaar.

Enkel kwetsbaar, fragiel, kantelbaar.

Oneindig.

Dierbaar.

zaterdag 6 november 2010

Op slag kwetsbaar

Met stevige armslag draaide hij haar een kwartslag.

"Je bent mooi. Kwetsbaar"

De stilte viel als een zachte deken over hen heen. Buiten waaide een gure herfstwind geelgouden bladeren van de bomen.

Hij ging door de knieën, stroopte traag haar zwartkanten slip naar omlaag, drukte z'n beide handen op de volheid van haar bips en gleed met z'n tong langs de blanke binnenzijde van haar dijen, om langzaam te eindigen in de vochtig warme streek van haar schoot.

Ze kraaide van genot. Haar handen graaiden liefdevol, gretig door zijn haren.

"Ik wil in je zijn", klonk het, en hij keerde haar opnieuw een kwartslag. Met een vanzelfsprekende dominantie die haar woordeloos deed volgen.

In een oogopslag vonden ze elkaar in de omwenteling, kwamen thuis in een mengeling van verlegenheid, liefdevolle overgave en binnenpret.

"Je zou me toch verkrachten?" vroeg ze speels.

Maar hij begroef zich in haar hals. Vergat het rollenspel.

Ze liet hem begaan. Helemaal gaan. Kwart en kwetsbaar van slag. Aangedaan.

zaterdag 28 augustus 2010

Een lege plek om te blijven

Ze stonden dicht tegen elkaar aan, z’n gespierde armen nonchalant losjes over de reling, z’n blik guitig, ontspannen, liefdevol bezorgd om haar ogen vol tranen. De Schelde stroomde weids in hun blikveld, een vrachtboot nam de bocht, voorbijrijdende fietsers genoten van het uitzicht.

“Wist je dat het debiet van de Schelde vrij beperkt is, in vergelijking met andere Europese rivieren?” zei hij schalks, in een poging de vloedgolf van verdriet in haar ogen tegen te gaan.

Banale weetjes, verdriet-vergeetjes, praatjes vol gaatjes. Opbeurende, luchtige, lieve ledigheid.

“Het lijkt hier wel Titanic”, antwoordde ze, in een tegemoetkoming de hevige stortvloed met pret te bedwingen. “Zal ik straks met m’n armen wijd over de reling heen hangen?”

“Zag je de modder daar beneden? Zal ik je daar met windkracht 10 in keilen?” klonk het plagend terug. “Ik ben immers sterker dan Leonardo, heviger dan DiCaprio, en ijzingwekkend stoer”, en gekscherend klapte hij haar lichtjes op het achterwerk. “Wist je trouwens dat slechts een heel klein deel van een drijvende ijsberg boven het water ligt? Het grootste deel ligt onder water."

Ze knikte meewarig, drukte opgelucht een zoen op z’n wang.

“En ben ik dan net even onverhoopt tegen je aangebotst? Schuift daarom m’n orkest naar de rand van de reling, ziedend het ijskoude water in?” ging ze zacht glimlachend verder.

“Ik ben bezorgd om je, maar durf het niet te tonen”, klonk het toen stil.

Ze wandelden voorbij een fietsknooppunt, een zondagsterras, een menigte uitgelaten zestigers met veel te felle fluohesjes op veel te dure fietsen, pauzeerden bij een bank.

“Wie beweegt, komt aan. Ik stel doelen, geef richting aan m’n koers, ga verder”, vervolgde hij.

“Ik zal je missen”, was haar antwoord.

Zacht wuivend riet vulde de stilte.

“Zeg dat niet”, klonk het nog stiller.

“Je kent m’n schaduwzijde, jou liet ik dichterbij komen. Je inspireert me, ontroert me, raakt me.”

Hij keek haar zacht aan, hoorde een echo van onuitgesproken vermoedens.

De stilte werd stiller dan stil, een antwoord bleef achterwege.

Zacht raakte ze met haar vingertoppen zijn gebruinde bovenbenen aan, omhelsde hem, zoende hem zacht in de nek, stond op, en verdween in de meander van de rivier.

woensdag 11 augustus 2010

With love, from Brindisi airport.

De koffers vielen één na één met een doffe klap op de transportband. Drummend, licht bezweet en opgejaagd verdrongen handen, kortgerokte benen en reikhalzende ogen zich rond de langzaam bewegende, zwarte, plastic rups.

Er woekert een hardnekkig misverstand bij kenners, filosofen én bij leken dat schrijven bewaren betekent. Een reusachtige opslagkamer van herinneringen, beelden, memoires. Maar het is net andersom. Literatuur is loslaten. Schrijven is verdrijven. Waar je over schrijft gaat pas dan en juist daardoor voorbij.

Met woorden, bedacht Helga, zou ze het gemis en de voortdurende gedachte aan hem verdrijven. Alle mooie herinneringen en pijnlijke momenten in een zin-volle, gesloten koffer stoppen en langzaam in de bocht bij band 4 laten verdwijnen. Tot grijpgrage handen hem zouden oppakken, de woorden één voor één uitpakken, een nieuw leven inblazen en haar verlicht, verlucht achterlaten.

Na een jaar van oprechte affectie, hevige passie, wederzijds welbehagen en intimiteit had ze in alle liefde gebroken met de man die ze voor alle liefde van de wereld nooit had willen loslaten. Dus reisde ze van lieverlee de wereld rond. Op zoek naar rust en troost. Dit keer was ze op weg naar een tijdelijk paradijs van afzondering, zon en onbekommerd schrijven. Een plek waar ze zich niet kon verliezen in de afleidingen die ze in haar thuisland zo zelden kon weerstaan.

Hij was haar grootste afleiding geweest. Haar onweerstaanbare verleiding. Dit moest ze eigenlijk met rode letters tikken. Ze bezweek er telkens voor. Voor de nadruk van zijn begerige blik. Verzot op plagen en geplaagd worden.

Met een kop koffie op een terras, lui achterover in de zon, zou ze genieten van een hagedissenleven. Dat stond vast. Maar terwijl de koffers langzaam voorbij gleden en de transportband gedwee en monotoon verder ratelde wou ze niets liever dan hem naast haar. Samen in de zon naar de stroom van voorbijgangers kijken. Elkaar zo nu en dan kussen. Hem zacht strelen aan de binnenkant van zijn polsen. Gekscheren als kwajongens van veertien. Achteraf in de zwoele schaduw van hun bed elkaar beminnen als de grootste.

Het was verrukkelijk door hem genomen te worden. Zijn vanzelfsprekende superioriteit. Haar complete overgave. In bed vond ze het prettig de baas over hem te zijn. Te zien en te horen hoe hij kreunde, te voelen hoe hij vol overgave, ongecontroleerd schokte van opwinding. Dan was ze als de overwinnaar die een heel sterk dier kapot had gekregen. Gelukkig nooit helemaal. Wanneer hij haar op zijn beurt liefdevol klein kreeg huilde ze, ontroerd, ontdaan. Achteraf vleide ze zich begeerlijk in de rust van zijn armen, helemaal de zijne.

Op een dag was het huilen steeds sterker geworden. Kwam het ook wanneer hij er niet meer was. Werd de angst om hem te verliezen zo pijnlijk dat het haar uit haar slaap hield. Toen stond Helga voor het dilemma waar iedere geliefde vroeg of laat voor staat. Sprakeloos was ze ervan geworden. Verstomd. Verlamd. Niet langer passie, maar een impasse. Haar bagage was vertraagd.

Niet alles wat de werkelijkheid ophoest is de moeite van het vastleggen waard, had ze gemeend, en dus bewaarde ze lange tijd het stilzwijgen, verbeet de pijn. “Faire l’amour, c’est faire le mal”, zei Baudelaire. Veel van iemand houden doet pijn. Ook dit moest ze met rode letters tikken.

Maar nu liet de werkelijkheid zich niet langer het zwijgen opleggen. Wat was geweest won de bovenhand, nam haar onderhands.

In de bocht van band 4.

woensdag 21 juli 2010

In de fleur van haar leven

Geachte Mijnheer Van Den Borre,

Ik wil een vent. Graag met akte van vertrouwen.

Liever geen ventiel. Lief, aardig maar wat schriel.

Doe maar een ventilator. Krachtig. Met af en toe wat gemor.

Nu eens hard, dan weer zacht. Soms met de wind mee, dan weer tegen.

Ik ben heel fervent. Wat denkt u, heeft u iets dat me verwent?

zondag 11 juli 2010

Dimlicht

Met gespreide benen ging ze over hem heen zitten. De korte jeansrok plooide omhoog. Ze begroef haar gezicht diep in zijn hals en kreunde zacht.

“Flirt”, dacht hij, “hoer”. Maar ja, hij hield wel van een beetje respons.

“Ik wil niet met je vrijen”, zei hij droogjes en duwde haar voorzichtig van zich af.

Ze liet zich niet eenvoudig uitschakelen, knoopte traag zijn broek open.

“Nee, ik wil het niet”, herhaalde hij, en stond resoluut op.

De lederen riem die haar rok sierde bleef haken aan zijn broeksriem. Een weerhaak, weerstand tegen hun ontbinding.

Hij zag dat ze schrok, maar ze verborg haar angst. Ze kende de kunst om de eer aan zichzelf te houden, stond op, trok haar rok in de plooi, ging koffie zetten.

Haar afkerige rug ademde teleurstelling. Hij zocht houvast in het beantwoorden van mail, nam onverschillig een telefoontje aan.

Plots beende ze met snelle passen zijn richting uit, haar gejaagdheid als een poging om te ontsnappen uit het heilloze nu. Ze ging wijdbeens voor hem staan en gebaarde hevig en vlijmscherp: “Maak dat je wegkomt.” Een slotrede van verborgen kwetsuur.

De totale machteloze woede is een komisch gezicht. Even bedacht hij haar aan het lachen te brengen, zoals altijd. “Dimmen” zou hij met pretoogjes en groteske gebaren zeggen. Ze zou het uitproesten. Opnieuw gevoel voor proportie krijgen. Als altijd.

Maar haar radeloosheid was besmettelijk. Hij knoopte met gebogen hoofd zijn veters dicht, vroeg nog heel even “Ben je zeker dat dit is wat je wil?” en trok toen de deur achter zich dicht.

Ook hij kende de kunst om de eer aan zichzelf te houden. Liet zich niet zonder meer uitschakelen, had geen geduld voor geduld.

Onderweg naar huis verfoeide hij zijn redeneerzucht. Maar wat graag zou hij zich overgeven aan al haar seizoenen, aan al haar zoenen. Als onderdeel van een raadselachtig geheel.

Maar de deur was dicht. Hij reed huiswaarts. Met zacht, droevig dimlicht.

woensdag 30 juni 2010

Bui

Beste onweer,

Liever bezweerde ik je turbulentie met voorspelbaarheid. Maar waarom spelen op veilig als oversteken spannend is?

Ik wil nog helemaal niet sereen zijn, traag gaan of stilstaan. Met volle teugen, mag het, ja? Geen compromissen. En ook niet vissen. Geduldig wachten tot de dobber zinkt.

Ik wil wat je noemt niet stuk te krijgen zijn. Een stuk. Laaiend van uitslaand geluk. Vernieuwend. Een knappe griet. Fantastisch, onklopbaar, gewoon geweldig.

Halloooo, bui van Deboosere, je hoort me wel. Waai over. Als de bliksem.

En verdomme snel.

maandag 3 mei 2010

Ongerijmd

Soms was jij de moestuin en ik het onkruid. Dan moesten we elkaar weerstaan en wieden. Was jij onweerstaanbaar. En vond ik dat wel wieddes.

Een andere keer zou je me verkrachten, verscheuren, verslinden. Dan was ik bimbo en jij bold and beautiful. Ik moest te pletter. Lekker spetter.

En later was jij sportcommentator, m'n lenige lijf de snelle beelden. Meters, kilometers, wimpels, vlaggen, volgwagens. Toen was het nog feest, hield je van mij het meest.

Eén keer was het bed te klein, dat voelde veilig. Gewoon fijn. Voor eeuwig zou jij voortaan m'n Goliath zijn.

Later heb ik gehuild, was het feest welletjes geweest.

Zo was er eens. Een kort festijn. Van samen zijn.

Met jammer genoeg. Geen refrein.

maandag 26 april 2010

Vrijblijvend

“Je kan altijd naar me toekomen.”

Ze had het zacht, haast onhoorbaar gezegd. Zo zacht dat het leek alsof haar lippen enkel onverstaanbaar hadden gefluisterd, en er kans was dat hij, even onoplettend, niet had geluisterd.

“Je kan blijven en nadien zien we wel hoe het loopt”, was ze aarzelend, verlegen, verder gegaan.

Ze had het idee al die tijd verdrongen, koesterde een knagende zorg dat nauwe verbondenheid beklemmend was. Alsof een voortdurend samenzijn haar doof zou maken. Ze wilde de echo’s in haar hoofd blijven horen. Alleen dicht bij zichzelf, geloofde ze, vermeed ze om niet te luisteren waarnaar ze hoorde te luisteren.

De verbondenheid die ze met hem had gevoeld was zo intens en overweldigend dat ze bij momenten naar adem had willen happen. Wanneer ze hapte zoende hij terug, gingen ze kopje onder, en zwommen nadien in een zee van oneindig, warm samenzijn, waaraan telkens een abrupt einde werd gemaakt door het nakende, gedwongen afscheid.

Toen ze de woorden voorzichtig had uitgesproken, zag ze woede oplichten in zijn ogen. Heel even wou ze onderduiken, vluchten, rennen, wenste ze hard dat ze niets gezegd had, hoopte ze dat haar woorden uitwisbaar waren en ze gewoon door konden doen alsof ze helemaal nergens hoefden te komen.

"Zeg dat niet", was zijn ingehouden antwoord. "Dat maakt het te moeilijk", klonk het pijnlijke vervolg.

De woede kwam door angst en zijn angst was verlies van realiteit.

Ze draaide zich op haar rug, stapte uit bed, zweeg.

Alle hoop op vrij, blijvend samenzijn vloeide tergend traag in het badwater waarmee ze zich nadien samen afspoelden.

Hij kwam niet, nooit meer.

En zonder hem in de buurt was het beklemmend stil.

zondag 18 april 2010

Voortvluchtig

De luchthaven vulde zich met gestrande reizigers. Alles lag plat. Passagiers staarden bedremmeld, reikhalzend naar het aankondigingbord. ‘Canceled’ stond er achter alle vluchtnummers.

Hij was die ochtend vroeg vertrokken, had in alle stilte z’n koffer gepakt en de deur zacht achter zich dicht getrokken. Leugens bewaren kost een hoop energie, het vrat aan hem, hij hield het niet meer. Ergens had hij gelezen dat voor een piloot de aarde er gelukzalig uit ziet. Boven het wolkendek geen glimp van ongelukkige vaders, moeders en kinderen. Dat betekende dat als hij maar genoeg afstand nam zelfs zijn eigen familie zou opgaan in zoetsappige onschuld. Hij moest afstand nemen. In ruimte, maar beslist ook in tijd.

Een lieftallige baliebediende duwde hem een kaartje in de hand, met daarop een telefoonnummer. “Bel dit nummer”, zei ze, “maar ik ben niet zeker dat er zal worden opgenomen”. Hij was in de war. De sluiting van het luchtruim gooide roet in zijn plan. Hoop op onmiddellijk vertrek was er niet. Dus dronk hij koffie uit een kartonnen beker, en vergat beteuterd suiker en melk.

Hij had ze verraden en achtergelaten. Bevond zich op drijfzand. Dreef stuurloos, richtingloos op onzekerheid.

Een gigantische aswolk, het resultaat van de vulkaan Eyjafjallajökull had het Europese luchtruim lam gelegd. Duizenden, miljoenen oncontroleerbare asdeeltjes riepen het luchtverkeer een halt toe. Vuur van het binnenste van de aarde veegde alle drang tot vliegen en vluchten van de kaart. Hoogte-en snelheidsmeters riskeerden door de deeltjes ontregeld te worden, waardoor de piloten volledig het zicht zouden verliezen op hun koers en snelheid.

Hij wou niet langer zelf z’n koers bepalen, maar stranden. Thuiskomen bij iemand die net als hij een buitenstaander was, een lastig en complex mens. Waar het geen éénrichtingsverkeer was, maar bewogen en bevlogen. Soms met verminderde zichtbaarheid maar altijd gedreven door vuur.

Een helle omroepstem dwong hem tot actie. “Hoelang de hinder blijft duren, kunnen we niet voorspellen. Zeker tot zes uur vanavond vertrekt of landt geen enkel vliegtuig.” Toen stond hij resoluut op, wandelde naar de Avis balie en vroeg een huurwagen. Vluchten kon niet meer. Vuur van het binnenste van de aarde bepaalde voortaan zijn koers. Zijn snelheidsmeter ging de lucht in, zijn hoogtemeter sloeg tilt, zijn motor sputterde tegen. Maar landen zou hij. Op de begane grond, doorgrond, doordacht. Niet langer op de tast, maar vast, verbonden, en verrast.

vrijdag 16 april 2010

fa-taal spreek jij mijn horizon-taal

Niets symboliseert de vrijheid van een ongedwongen dag meer dan een boterhammetje met aardbeienjam. Met de zoete, trage smaak van rode vruchten op de lippen telde Caro aan de ongebreidelde horizon van de witte Ikea ontbijttafel precies 67 manieren om de dag door te komen. Een flinke portie zelfoverschatting is nodig voor levensgeluk en ze fantaseerde zichzelf als femme fatale in het ochtendgloren. Met blonde haren die hel oplichten in het ochtendrood, een volle boezem die zich fataal en ontegensprekelijk laat gelden, en als kers op haar fatale fantasie: volle kuiten die met een eindeloze welving boven rode hoge hakken rijzen. Met een volrode grijns op de lippen balanceerde ze tussen toegankelijkheid en onbereikbaarheid. Zo lag de dag aan haar voeten.

Resoluut, zoals alleen een daadkrachtige, bloedschone vrouw zich laat gelden nam ze mobiel in de aanslag om deze bij voorbaat unieke dag in te zetten en tikte 5 letters op het klavier:

“u okay?”

Het vraagteken liet alle opties open en voorzag de letterboodschap van milde vrijblijvendheid.

Razend snel en met de slagkracht van hartstocht bliepte het antwoord haar display binnen.

“Asi, asi. U?”

In de verte klonk het geluid van een transistorradio. Caro liet alle verzet tegen het storende geluid varen en peilde naar haar fatale, innerlijke stilte. Ze antwoordde:

“Vrij en wild van jou.”

Toen ging het snel.

“Hoe kan ik je temmen?”

En zonder nadenken, tikte ze terug: “Als je mij temt, zullen we elkaar nodig hebben. Dan word jij voor mij de enige ter wereld. En ik word voor jou de enige ter wereld.”

“Maar hoe dan?” reageerde de display ongeduldig.

“Treat me bad and I run. Hurt me and I cry. Caress me gently and I will never let go of you.”

Waarna een diepe tijdloze stilte viel die smaakte naar aardbeienjam en grote gulzige, geduldige belofte.

dinsdag 2 maart 2010

Dubbel geparkeerd

Het was begonnen op een vroege ochtend in het neonlicht van een ondergrondse parkeergarage. Hun wagens stonden broederlijk, zonder aandrijving of kracht, maar in stilte wachtend tot ze er samen vandoor konden, naast elkaar geparkeerd. Hij had er met een knipoog op gewezen.

Dat hij de voorzichtige toenadering van hard metaal had gestuurd, was deel van zijn onweerstaanbare offensief.

Hij had haar omhelsd en meteen weer losgelaten. Als om het onheil af te wenden. Toen had hij het portier van z’n snelle wagen opengeklapt, en was er als een pijl vandoor gereden.

Meteen was ze in haar auto gestapt, en van ondergronds naar bovengronds gesneld, happend naar adem. Ze reed in zijn kielzog, volgzaam.

Net voor de snelweg zich vertakte en ze elk een andere richting zouden uitgaan rinkelde haar mobiel. “Hier ga ik ervandoor, oké?” “Ja, da’s oké”, had ze enkel licht laaiend kunnen uitbrengen en daar was het gesprek gestopt. Ze was rechtuit gegaan, niet linksaf geslaan. En van dan af het spoor bijster geraakt.

Later had ze hem van alle kanten leren kennen: zijn aanvallen van angst en zorgen, de euforie, die hem soms uit het niets ontviel, de woede wanneer hij het anders wou, ook de zachte melancholie, waarbij hij in zichzelf leek te verdwijnen en haar met een vervlogen blik aankeek, alsof hij zich alleen maar diep in haar wou verbergen en nooit meer loslaten.

Toen het voorbij was vroeg ze zich af wat haar bezield had. Of de vluchtigheid van het avontuur haar had ingehaald en de snelheidsmeter zomaar in het rode was gegaan, zonder doel, zonder zin. Maar ze wist dat hij haar ziel had geraakt.

Toen had ze het achterportier van haar wagen geopend, en was op zoek gegaan. Naar een denkbeeldige koffer.

Dat was het dan. Het was afgelopen.

Hel neonlicht viel door het raam. Een overdaad aan beton leek grauw en grijs nooit te willen vergaan.

Ze bleef nog even stilstaan. Om dan. Heel voorzichtig. Opnieuw door te gaan.

dinsdag 12 januari 2010

Relationeel taalgebruik

Een relatie wordt indexicaal genoemd, wanneer een teken gekoppeld is aan iets dat werkelijk bestaat op grond van aangrenzendheid. Teken en gegeven zijn elkaar nabij. Simpel gesteld: waar rook is, is vuur.

In het spannende speelveld van de liefde speelt indexicaliteit, en de poging tot correcte interpretatie ervan, een doorslaggevende rol. De inschatting van onze interactiepartner, aka het Gegeerde, Indrukwekkende, Geheel Onweerstaanbare LiefdesObject, kortweg GIGOLO, het giswerk naar zijn/haar relationele intenties is een puzzel die nu eens erg onthullend lijkt, dan weer tragisch onheilspellend blijkt. De grote tekenzoektocht. Staat stilzwijgen voor ontroering? Of duidt het op verveling? Is woede een uiting van frustratie? Of veeleer van gemis? Of is het machteloosheid?

Genoeg abstract, theoretisch geraadsel. Een voorbeeld kan boekdelen spreken.

Voor de voor Eeuwig Verliefde Ander, kortweg EVA, is een onbeantwoord bericht onmiskenbaar teken-en toonaangevend voor afwijzing. Aanhoudend onbeantwoorde communicatie tekent de contouren van een vermoedelijke gedragslijn: GIGOLO goes roll-o’.

Et alors EVA s'en va.

Waarop.

De Geheel Onweerstaanbare zich, Geheel Ontdaan, conformeert. Voortaan verbergt hij zich. Zelfbeschermend. Achter het vermijdend gedrag dat hem ontlokt werd.

Een negatieve spiraalbeweging komt op gang. Positieve condoomdynamiek blijft uit.

Een jammerlijk zich zelf vervullende voorspelling.

Een dreigend einde van een mooi getekend verhaal.

Waar rook was, is niet langer vuur.

En dan. Zowaar. Tranen als index. Helemaal puur.

donderdag 7 januari 2010

Houvast

Steevast houden ze elkaar gegijzeld.

Hij houdt haar
in een houd
greep,
houdt van haar.

Zij laat hem
niet los,
houdt hem daar
waar

hij brandend scherp
vuur
vat.

Laaiend
gaan ze
tegen
de vlakte.

Als bezeten
bezeerd
tegen beter weten

niet in staat
elkaar
voor
goed

te vergeten.

woensdag 16 december 2009

Cool & The gang

Voetstappen door de lange gang.

Hoog.

Versneld.

Gehaast.

Weg.

van

hem.

Er achter

aan.

Beet

grijpen.

Vast

klemmen.

De ogen

sluiten.

Nemen.

Geen keuze

laten.

Bevrijd.

De liefde

bedrijven.

Gretig

gevangen

in

haar

schoot.

Geen

adem

nood.

De gang

volbloed

rood.